Mediamonopolies
Geplaatst door H.R. van Zuilen op 13 mei, 2008
Afgelopen maand werd Silvio Berlusconi, na twee jaar in de oppositie, herkozen tot minister-president van Italië. Dat de Romeinse showman weer vier jaar op het hoogste podium mocht staan zou je verbazen als je zijn cv hebt gezien. Van 2001 tot 2006 had hij als minister-president vooral voor zichzelf geregeerd, met wetgeving om zijn eigen fraude uit het verleden te decriminaliseren en zijn commerciële belangen te beschermen. Van serieuze hervormingen om Italië’s wegglijdende economie te helpen, of de maffia terug te dringen was geen sprake. Waarom is Berlusconi dan weer terug?
Voor het antwoord hoeven we niet verder te kijken dan Berlusconi’s media-imperium. De familie van Berlusconi beheerst bijna alle private televisie. Met Berlusconi als staatshoofd – en dus baas van de publieke omroepen – beheerst hij zo’n 90% van de televisie. Als je nu hoopt dat hij er niets mee doet zit je er naast. Zowel de private als publieke media werden tijdens zijn ambtsperiode onder druk gezet om kritische programma’s te weren. Dat de Italianen zich gedesillusioneerd van zijn opvolger Prodi afwendden is geen wonder als je bedenkt dat ze hem beoordelen op een wereldbeeld gefabriceerd door zijn tegenstander.
“Eerlijke” misleiding
In een goed functionerende liberale democratie is het private mediamonopolie, dat Berlusconi aan de macht hielp, de grootste bedreiging voor de pluraliteit van media, en verreweg het moeilijkst te reguleren. De vrije markt houdt het in ieder geval niet tegen.
Dankzij de persvrijheid mag iedereen een televisiezender oprichten die zijn politieke, of ideologische visie de hele dag over de ether spuwt. Dankzij de liberalisering van de media zullen die zenders overleven die mensen willen bekijken. Dat dit niet perse die zenders zullen zijn die er een onkreukbare journalistieke moraal op nahouden bewijst alweer onze vriend Silvio, die een miljardenrijk heeft opgebouwd op basis van de showgirls die in zijn programma’s in veel te kleine bikini’s rondhupsen. In combinatie met hoge vaste lasten en de schaalvoordelen van mediaconsolidatie – bijvoorbeeld het delen van apparatuur, studio’s, kennis, sterren – kan het dus gebeuren dat één, of een paar magnaten, die het niet al te nauw nemen met de onpartijdigheid van de media, de particuliere televisie in handen krijgen. Naast Italië zien we dit soort “eerlijk” verkregen mediamonopolies in bijvoorbeeld Polen en sinds kort Zuid-Afrika. Als deze mensen voldoende marktaandeel veroveren is controle door de nieuwsconsument van hun versie van de werkelijkheid minder makkelijk. Daarom is één, of een paar partijdige zenders geen probleem – denk aan FoxNews – maar is een monopolie wel vervelend.
Hebben we nou vastgesteld dat het mediamonopolie ongewenst is, dan komen we bij de vraag hoe we het moeten voorkomen. En dat is het vervelende van dit probleem: als wetgever valt er nauwelijks iets aan te doen. Een economisch monopolie valt prima aan te pakken, maar een ideologisch monopolie niet. Zelfs al zou je een wet instellen die bedrijven beperkt tot 40% marktaandeel, het is praktisch onmogelijk te voorkomen dat alle media in handen van gelijkdenkende zakenlui valt. Dat kan familie zijn, zoals de broer van de huidige president van Zuid-Afrika en eigenaar van de grootste omroep van het land. Maar het kunnen ook bevriende, of sympathiserende zakenlui zijn, zoals degenen die in datzelfde land onlangs de meest kritische kranten hebben opgekocht. Een wet die iets dergelijks moet voorkomen, zou dus zakelijke handelingen moeten verbieden op grond van iemands ideologie. Dat gaat regelrecht in tegen de vrijheid van meningsuiting.
De markt heeft dus gefaald, en we hebben een uniform blok media die partijdig nieuws uitzenden. Wat doen we eraan?
Glas breken in geval van mediamonopolie
Er zijn drie oplossingen: wederhoor-wetten, de nieuwe media, en de publieke omroep. Alledrie hebben ze hun voors en tegens.
Eerst de wederhoor-wetten. De kern van een dergelijke regeling is dat een politicus die door een medium wordt aangevallen recht heeft op wederhoor. Dit is een journalistiek principe dat een goede redactie zal nastreven. Het verplicht stellen zou een monopolist dwingen beide kanten van het verhaal te laten horen. Helaas zitten aan zo’n wet flinke haken en ogen. Niet de minste ervan is dat je in feite het medium dwingt een bericht te brengen, ook al heeft het niets verkeerd gedaan. Dat kan eigenlijk niet binnen het domein van vrije meningsuiting vallen. Maar ook los van de theorie zitten er enorme praktische bezwaren aan, immers: om partijdig te zijn hoeven media niet in de aanval te gaan. Een kandidaat, of een onderwerp kan ook dood worden gezwegen. Bovendien kan een wederhoor-wet net zo goed een middel worden om onwelgevallige media lastig te vallen. Stel je voor dat ieder negatief bericht over Balkenende gevolgd zou worden door een eis zijn kant van het verhaal af te drukken. Zo’n wet haalt de lat zowel filosofisch als praktisch niet.
Dan de nieuwe media. Op de korte termijn is het een slechte oplossing, op de lange termijn een goede, en op de zeer lange termijn kan het weer een slechte worden. Op de korte termijn zijn er blogs, nieuwssites, nieuwsbrieven, forums, en weet ik wat meer, die verschillende invalshoeken kunnen, en ook laten zien. Het probleem is niet het aanbod, maar de vraag. In de Verenigde Staten bekeek bij een studie van het Pew instituut, een onderzoekscentrum, 24% van de ondervraagden op een willekeurige dag nieuws op het internet, tegenover 57, 40, en 36% voor televisie, kranten en radio respectievelijk. Een flink deel van die internetgangers bovendien te kiezen voor grote internetkranten – die grotendeels niet geïsoleerd zijn voor mediamonopolies – en de sites van traditionele media, met minimale percentages voor de nieuwsblogs, de minst monopolievatbare vorm. Verder is het zo dat die groep die het minst handig is met het internet, de ouderen, het meeste nieuws volgt, en de hoogste opkomst bij de stembus heeft. Vertrouwen op internet op de korte termijn is dus niet praktisch. Op de lange termijn, als de digibeten zijn uitgestorven, zou het internet wel een goede controle voor traditionele media kunnen vormen. Op de zeer lange termijn wordt het een vraag naar hoe het internet gaat eindigen. Naarmate nieuwssites professioneler worden, en internetnieuws consumptie geconcentreerder zou het kunnen dat ook die sites vatbaar worden voor monopolies. De schaalvoordelen van een nieuwssite zijn wel een stuk kleiner dan traditionele media, en samen met de lage vaste kosten is een monopolie volgens mij ook op de zeer lange termijn niet waarschijnlijk.
Een vogel.. een vliegtuig.. de staat?
Maar dan zitten we toch nog met een probleem. Op de korte termijn is internet niet de oplossing, en ook op de langere termijn blijft er een grote groep die alleen traditionele media voor nieuws gebruikt. Ook onder jonge mensen halen veel meer mensen het nieuws van tv dan van het internet.
Als laatste strohalm dan de publieke omroep. Zou de overheid in staat zijn dit sluipende marktfalen op te lossen? Volgens mij wel, en hier is hoe. Leg op een moeilijk te veranderen plek, het liefst in een grondwet-met-voorrang, vast dat de publieke omroepen onafhankelijk zijn van de regering. Laat alleen het totale budget in overheidshanden, en laat de rest aan de publieke omroep zelf over. Bestem een stuk of drie zenders voor deze omroepen, en leg ze een minimumpercentage zendtijd op voor nieuws en achtergronden. De resulterende organisatie zal moeilijk te beïnvloeden zijn kritische programmering te verwijderen, behalve met de botte bijl van het totale budget, die wel eens tegenproductief zou kunnen werken. Het zou kunnen dat zo’n organisatie inefficiënt werkt, en niet voldoende let op de kijkcijfers. Maar als het gebrek aan showgirls in te kleine bikini’s de prijs is die we moeten betalen voor een werkelijk onpartijdige nieuwszender, dan zeg ik met pijn in mijn hart: het zij zo.