Dezer dagen vindt in Genève de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bijeenkomst plaats. Deze top heeft als voornaamste doel een handelsakkoord bereiken tussen de 153 deelnemende landen, waarbij ieder land een vetorecht tot haar beschikking heeft. Het handelsakkoord moet het oude Doha hoofdstuk (2001) afsluiten en een nieuw hoofdstuk in gaan luiden. Dit klinkt nu al als een hopeloze zaak waar ieder land haar eigen belangen zo goed mogelijk probeert te behartigen. Echter, overeenstemming zal moeten worden bereikt om de 1000 pagina’s durende epos genaamd, ontwikkelingshulp en haar subhoofdstuk voedselschaarste, tot een goed eind te brengen. Dit is letterlijk van levensbelang.
Aan de destructieve subsidies die de westerse overheden uitgeven aan de hightech landbouw en voedselindustrie moet een halt toe worden gebracht. Boeren in Latijns Amerika en Afrika en Azië worden hiermee kapot geconcurreerd. De afschaffing van deze subsidies, die ooit de kwakkelende landbouwindustrieën moesten redden, kan haar oorspronkelijk intenties in een omgekeerde weg laten herleven. Afschaffen die hap, daar is menig wetenschapper of politicus het wel mee eens.
Vrijgevigheid
Nederland staat al jaren boven aan menig top-10 lijstje wat betreft het schenken van geld aan derde wereld landen. Hulde aan Nederland, zal de linksgeoriënteerde kiezer roepen. Maar hebben ze er wel lang genoeg over nagedacht. Ja hoor, zal menig PvdA politicus zeggen. Ontwikkelingshulp is namelijk al jaren een PvdA onderwerp bij uitstek. We hebben voorwaarden gesteld aan het beschikbaar stellen van belastinggeld aan vooraf gescreende organisaties, roept men in koor. Ja, daar zijn een aantal ambtenaren op het departement buitenlandse zaken (waar het portefeuilleloze ministerie onder valt) goed aan het werk gezet. Zo als misschien de toon doet vermoeden gaat het mij niet om die honderden miljoenen euro’s die er mee gemoeid mee zijn. Het gaat mij om de toon die de politici aansnijden bij het verkooppraatje aan hun potentiële kiezers. Alsof ontwikkelingshulp er toe doet, een structurele oplossing biedt. De Nederlandse burgers zijn ook al een van de meeste vrijgevige van de wereld wat zich manifesteert in passief vrijwilligerswerk. We storten namelijk collectief miljoenen euro’s op de rekeningen van de ngo’s (niet-gouvernementele organisaties).
Waarom kunnen we dit collectieve gedrag niet verder stimuleren, uitwerken in een beleid? Een vraag die een sceptische, niet-bestaande kiezer kan stellen aan de politici in Den-Haag en Brussel. Waarom juist dit beleid in de vorm van een apart hoofdstuk in de begroting? Zouden we niet gezamenlijk een meer directe invloed moeten hebben waar ons belastinggeld naar toe gaat? Er zijn zoveel vragen die men kan stellen dat je er gek van wordt. Waar het tegenwoordig echter omgaat is daadkracht, de welbekende en menig lijstpartij slogan die de Pim-Fortuyn erfenis omvat. Die neerkomt op het omzetten van woorden in daden. Maar hier zit juist de contradictie. De burgers willen a, maar doen b. Hier zal de burger eens haar eigen verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Wat is het geval? De Europese, wel besproken en gehate, landbouwsubsidies zijn letterlijk dodelijk.
Landbouwsubsidies zijn dodelijk
Deze subsidies waren vaak een harde eis van de nieuwe Europese Unie (EU)-lidstaten bij de toetredingsonderhandelingen tot de EU. Het ligt in feite aan de basis van veel toezeggingen die door de (oude) minder van landbouw afhankelijke lidstaten, aan de landbouw afhankelijke (nieuwe) lidstaten werden gedaan. Zo kan het gebeuren dat wij gezamenlijk de landbouwindustrie van deze lidstaten in feite subsidiëren door middel van nationaal geheven en op Europees niveau afgedragen belastingen. Dit alles zou men kunnen stellen, komt overeen met onze vrijgevigheid. Dit beringt mij te stellen dat er in feite twee vormen van ontwikkelingshulp bestaan. Zo heb je in de eerste plaats onze eigen vrijgevigheid in de vorm van donaties die worden gedaan aan ngo’s. In de tweede plaats zijn er de nationaal geheven belastingen die beschikbaar worden gesteld voor ontwikkelingshulp. Hier zijn twee vormen van te onderscheiden: geld dat wordt uitgeven door de nationale overheid (het ministerie van ontwikkelingshulp) en geld dat wordt uitgeven door Brussel (hier onze ‘Europese overheid’). De Europese één markt gedachte is van vitaal belang. Des te meer is het vreemd dat subsidies nog zo’n prominente rol hebben. Dit strookt niet met het idee van één markt, waar de EU voorstaat. Binnen deze markt horen geen spelbrekers als subsidies of enige vorm van staatssteun. Enkele prominente landen (o.a. Frankrijk en Italië), spelen het spel hard. Terwijl de wereld juist om de vernieuwde koers van het oude Europa vraagt. Zouden de Europeanen niet weer koploper moeten worden in de wereldmarkt? De oude Europese marktbescherming vaarwel zeggen en de vrije markt denken omhelzen als een oude vriend? De koers die door het verdrag van Maastricht (en het verdrag van Lissabon) werd ingezet biedt nog voldoende hoop voor Europa. Maar alle zeilen moeten worden bijgezet om het een voorbeeldfunctie voor de rest van de wereld te maken.
We moeten de nieuwe muren afbreken en een sterk fundament bouwen.
Waar het uiteindelijk om draait is dat de mensheid in haar geheel erop voor uitgaat. Wat structureel moet veranderen is onze huidige wereldbeeld. In het nieuwe wereldbeeld is er geen plaats voor onderscheidingen die we nu wel maken (wie bedenkt nu de term, de derde wereld? Is er ook een soort eerste wereld dan?). Dus weg met de termen als opkomende markten en derde wereld landen. We moeten juist gezamenlijk naar één markt, één wereld toe werken, waarbinnen de kloof tussen arm en rijk steeds verder genivelleerd wordt. Naar mijn mening (waar ik binnen kort uitgebreid op terug zal komen) zal de kloof tussen arm en rijk nooit worden gedicht. De kloof overbruggen is dan ook mijn uitgangspunt. In het kader daarvan zal ik nu een aantal concrete uitgangspunten proberen te formuleren. Dit zal uiteindelijk neerkomen op het creëren van een ander zienswijze van de wereld, waar de ontwikkelde landen naar toe zouden moeten werken. Men moet niet meer in hokken gaan denken en markten afbakenen. Zo ook blijft men denken dat ontwikkelingshulp wel de verschillen in de wereld kleiner kunnen maken. Wat naar mijn mening een illusie is, maar in ieder geval tot de vorenstaande contradictie leidt.
Heb je hem weer met zijn grote woorden, wat kenmerkend is voor een idealist. En misschien ben ik ook wel een idealist of visionair. Ik bepleit één wereld zonder grenzen en handelsbelemmeringen. Mijn ideale wereldbeeld vindt mooi aansluiting bij de (Chinese) olympische spelen motto: ‘ één wereld, één droom’. Als de achtergrond van het gastland erbij wordt betrokken, krijg je een wereld waarin het individualisme een ondergeschikte rol speelt. We kunnen als wereldburgers dan niet meer permitteren om onderscheidingen in belangen te maken. Mede door globalisering moeten we meer in het collectief gaan denken, het eigenbelang ondergeschikt maken aan het grotere universele belang. Alles op alles zetten om onze kwetsbare planeet in al haar opzichten leefbaar te houden. Dit alles hoeft niet bij een droom te blijven.
Graag meer structurele oplossingen…
In het kader van ‘één wereld, één droom’ omvat mijn ideale wereldbeeld drie pijlers voor een alternatief om structurele ontwikkelingshulp te vervangen. Je kunt de pijlers niet los van elkaar zien. Juist door een samenspel krijg je een uniek wereldbeeld waar geen plaats meer is voor structurele ontwikkelingshulp. In mijn visie zal handel de plaats van ontwikkelingshulp moeten gaan innemen. Hier ligt een verantwoordelijkheid bij onder meer de WTO. De deelnemende landen zouden alles op alles moeten zetten om vooral voorbij hun eigenbelang te gaan. Hier zullen compromissen moeten worden gesloten om een groter doel, één gezamenlijke handelsmarkt na te kunnen streven. In deze markt zullen vraag en aanbod de enige spelers zijn. Dus weg met spelbrekers als subsidies en ontwikkelingshulp die de markt alleen maar verstoren. Ten tweede zal, in deze herstelde markt van vraag een aanbod, ook meer ruimte zijn voor micro-kredieten. Ze kunnen een prima alternatief gaan vormen voor ontwikkelingshulp (ze vallen in mijn visie dus niet onder het kopje ontwikkelingshulp). Door leningen aan kleine ondernemingen te verschaffen kun je een concreet bijdrage leveren, zodat ze naar verloop van tijd op eigen benen kunnen staan. Met alle positieve gevolgen van dien, meer werkgelegenheid, een vast inkomen et cetera. Dit kan allemaal worden afgedwongen en nader geregeld worden in de vorm van voorwaarden (afbetalingstermijnen, onderpanden etc.). Echter, in de wereld van de huidige micro-kredieten moeten ook bergen worden verzet. Zo zouden er structureel meer mannen een lening moeten krijgen. De meeste huidige leningen worden verstrekt aan vrouwen. Vrouwen worden namelijk geacht beter risico’s in te kunnen schatten en op tijd hun leningen af te betalen. Hier kan voorlichting een belangrijke rol spelen. Via onderwijsprogramma’s die door ngo’s (staan dichterbij de mensen dan overheden) zijn opgericht, kan men de komende generatie beter met geld leren omgaan. Dit kan ook een structureel antwoord zijn op corruptie. Ten derde is een grote rol weg gelegd voor de burgers in de ontwikkelde (met in verhouding meer welvaart en welzijn) samenlevingen. Ze zouden in plaats van passief vrijwilligerswerk, dat nu collectief plaats vinden in de vorm van automatische incasso’s, zich actiever moeten opstellen. Wederom is hier een rol weg gelegd voor onderwijs. Enerzijds kan zo bij de huidige generatie en de toekomstige generaties in de ontwikkelingslanden een collectief bewustzijn worden gecreëerd (het creëren van een ondernemingsklimaat, leren om gaan met geld en een goede wetgeving/handhaving opstellen etc.). Anderzijds kan een verlengde bewustzijn, bij de generaties in de ontwikkelde landen, hier op aansluiten (te denken valt nu al aan de verplichte maatschappelijke stages voor scholieren). In het verloop van de tijd zullen beiden instaat zijn elkaar aan te vullen en te verbeteren. Alleen zo kan men in de toekomst nog compromissen sluiten met een groot maatschappelijk draagvlak. Dit alles kan tot effectieve oplossingen leiden voor de grensoverschrijdende problemen (ik noem ze liever uitdagingen) waar we allemaal door worden geraakt (immigratie, broeikaseffect, internationale misdaad etc.).
Kortom, handen uit de mouwen! Er moeten muren worden afgebroken en een sterk fundament worden gebouwd om dit alles te kunnen realiseren. Laat we hopen dat de huidige WTO-top (voor China zal dit tevens de komende olympische spelen kunnen zijn) een begin gaat vormen voor dit alles. En wat betreft de eerder genoemde contradictie in dit stuk? Die zal als sneeuw voor de zon verdwijnen, daar ben ik van overtuigd.