De Derde Persoon

  • Archieven

‘Één wereld, één droom.’

Geplaatst door M.B. Oosterdijk op 29 juli, 2008

Dezer dagen vindt in Genève de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bijeenkomst plaats. Deze top heeft als voornaamste doel een handelsakkoord bereiken tussen de 153 deelnemende landen, waarbij ieder land een vetorecht tot haar beschikking heeft. Het handelsakkoord moet het oude Doha hoofdstuk (2001) afsluiten en een nieuw hoofdstuk in gaan luiden. Dit klinkt nu al als een hopeloze zaak waar ieder land haar eigen belangen zo goed mogelijk probeert te behartigen. Echter, overeenstemming zal moeten worden bereikt om de 1000 pagina’s durende epos genaamd, ontwikkelingshulp en haar subhoofdstuk voedselschaarste, tot een goed eind te brengen. Dit is letterlijk van levensbelang.

Aan de destructieve subsidies die de westerse overheden uitgeven aan de hightech landbouw en voedselindustrie moet een halt toe worden gebracht. Boeren in Latijns Amerika en Afrika en Azië worden hiermee kapot geconcurreerd. De afschaffing van deze subsidies, die ooit de kwakkelende landbouwindustrieën moesten redden, kan haar oorspronkelijk intenties in een omgekeerde weg laten herleven. Afschaffen die hap, daar is menig wetenschapper of politicus het wel mee eens.

Vrijgevigheid
Nederland staat al jaren boven aan menig top-10 lijstje wat betreft het schenken van geld aan derde wereld landen. Hulde aan Nederland, zal de linksgeoriënteerde kiezer roepen. Maar hebben ze er wel lang genoeg over nagedacht. Ja hoor, zal menig PvdA politicus zeggen. Ontwikkelingshulp is namelijk al jaren een PvdA onderwerp bij uitstek. We hebben voorwaarden gesteld aan het beschikbaar stellen van belastinggeld aan vooraf gescreende organisaties, roept men in koor. Ja, daar zijn een aantal ambtenaren op het departement buitenlandse zaken (waar het portefeuilleloze ministerie onder valt) goed aan het werk gezet. Zo als misschien de toon doet vermoeden gaat het mij niet om die honderden miljoenen euro’s die er mee gemoeid mee zijn. Het gaat mij om de toon die de politici aansnijden bij het verkooppraatje aan hun potentiële kiezers. Alsof ontwikkelingshulp er toe doet, een structurele oplossing biedt. De Nederlandse burgers zijn ook al een van de meeste vrijgevige van de wereld wat zich manifesteert in passief vrijwilligerswerk. We storten namelijk collectief miljoenen euro’s op de rekeningen van de ngo’s (niet-gouvernementele organisaties).

Waarom kunnen we dit collectieve gedrag niet verder stimuleren, uitwerken in een beleid? Een vraag die een sceptische, niet-bestaande kiezer kan stellen aan de politici in Den-Haag en Brussel. Waarom juist dit beleid in de vorm van een apart hoofdstuk in de begroting? Zouden we niet gezamenlijk een meer directe invloed moeten hebben waar ons belastinggeld naar toe gaat? Er zijn zoveel vragen die men kan stellen dat je er gek van wordt. Waar het tegenwoordig echter omgaat is daadkracht, de welbekende en menig lijstpartij slogan die de Pim-Fortuyn erfenis omvat. Die neerkomt op het omzetten van woorden in daden. Maar hier zit juist de contradictie. De burgers willen a, maar doen b. Hier zal de burger eens haar eigen verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Wat is het geval? De Europese, wel besproken en gehate, landbouwsubsidies zijn letterlijk dodelijk.

Landbouwsubsidies zijn dodelijk

Deze subsidies waren vaak een harde eis van de nieuwe Europese Unie (EU)-lidstaten bij de toetredingsonderhandelingen tot de EU. Het ligt in feite aan de basis van veel toezeggingen die door de (oude) minder van landbouw afhankelijke lidstaten, aan de landbouw afhankelijke (nieuwe) lidstaten werden gedaan. Zo kan het gebeuren dat wij gezamenlijk de landbouwindustrie van deze lidstaten in feite subsidiëren door middel van nationaal geheven en op Europees niveau afgedragen belastingen. Dit alles zou men kunnen stellen, komt overeen met onze vrijgevigheid. Dit beringt mij te stellen dat er in feite twee vormen van ontwikkelingshulp bestaan. Zo heb je in de eerste plaats onze eigen vrijgevigheid in de vorm van donaties die worden gedaan aan ngo’s. In de tweede plaats zijn er de nationaal geheven belastingen die beschikbaar worden gesteld voor ontwikkelingshulp. Hier zijn twee vormen van te onderscheiden: geld dat wordt uitgeven door de nationale overheid (het ministerie van ontwikkelingshulp) en geld dat wordt uitgeven door Brussel (hier onze ‘Europese overheid’). De Europese één markt gedachte is van vitaal belang. Des te meer is het vreemd dat subsidies nog zo’n prominente rol hebben. Dit strookt niet met het idee van één markt, waar de EU voorstaat. Binnen deze markt horen geen spelbrekers als subsidies of enige vorm van staatssteun. Enkele prominente landen (o.a. Frankrijk en Italië), spelen het spel hard. Terwijl de wereld juist om de vernieuwde koers van het oude Europa vraagt. Zouden de Europeanen niet weer koploper moeten worden in de wereldmarkt? De oude Europese marktbescherming vaarwel zeggen en de vrije markt denken omhelzen als een oude vriend? De koers die door het verdrag van Maastricht (en het verdrag van Lissabon) werd ingezet biedt nog voldoende hoop voor Europa. Maar alle zeilen moeten worden bijgezet om het een voorbeeldfunctie voor de rest van de wereld te maken.

We moeten de nieuwe muren afbreken en een sterk fundament bouwen.

Waar het uiteindelijk om draait is dat de mensheid in haar geheel erop voor uitgaat. Wat structureel moet veranderen is onze huidige wereldbeeld. In het nieuwe wereldbeeld is er geen plaats voor onderscheidingen die we nu wel maken (wie bedenkt nu de term, de derde wereld? Is er ook een soort eerste wereld dan?). Dus weg met de termen als opkomende markten en derde wereld landen. We moeten juist gezamenlijk naar één markt, één wereld toe werken, waarbinnen de kloof tussen arm en rijk steeds verder genivelleerd wordt. Naar mijn mening (waar ik binnen kort uitgebreid op terug zal komen) zal de kloof tussen arm en rijk nooit worden gedicht. De kloof overbruggen is dan ook mijn uitgangspunt. In het kader daarvan zal ik nu een aantal concrete uitgangspunten proberen te formuleren. Dit zal uiteindelijk neerkomen op het creëren van een ander zienswijze van de wereld, waar de ontwikkelde landen naar toe zouden moeten werken. Men moet niet meer in hokken gaan denken en markten afbakenen. Zo ook blijft men denken dat ontwikkelingshulp wel de verschillen in de wereld kleiner kunnen maken. Wat naar mijn mening een illusie is, maar in ieder geval tot de vorenstaande contradictie leidt.

Heb je hem weer met zijn grote woorden, wat kenmerkend is voor een idealist. En misschien ben ik ook wel een idealist of visionair. Ik bepleit één wereld zonder grenzen en handelsbelemmeringen. Mijn ideale wereldbeeld vindt mooi aansluiting bij de (Chinese) olympische spelen motto: ‘ één wereld, één droom’. Als de achtergrond van het gastland erbij wordt betrokken, krijg je een wereld waarin het individualisme een ondergeschikte rol speelt. We kunnen als wereldburgers dan niet meer permitteren om onderscheidingen in belangen te maken. Mede door globalisering moeten we meer in het collectief gaan denken, het eigenbelang ondergeschikt maken aan het grotere universele belang. Alles op alles zetten om onze kwetsbare planeet in al haar opzichten leefbaar te houden. Dit alles hoeft niet bij een droom te blijven.

Graag meer structurele oplossingen…

In het kader van ‘één wereld, één droomomvat mijn ideale wereldbeeld drie pijlers voor een alternatief om structurele ontwikkelingshulp te vervangen. Je kunt de pijlers niet los van elkaar zien. Juist door een samenspel krijg je een uniek wereldbeeld waar geen plaats meer is voor structurele ontwikkelingshulp. In mijn visie zal handel de plaats van ontwikkelingshulp moeten gaan innemen. Hier ligt een verantwoordelijkheid bij onder meer de WTO. De deelnemende landen zouden alles op alles moeten zetten om vooral voorbij hun eigenbelang te gaan. Hier zullen compromissen moeten worden gesloten om een groter doel, één gezamenlijke handelsmarkt na te kunnen streven. In deze markt zullen vraag en aanbod de enige spelers zijn. Dus weg met spelbrekers als subsidies en ontwikkelingshulp die de markt alleen maar verstoren. Ten tweede zal, in deze herstelde markt van vraag een aanbod, ook meer ruimte zijn voor micro-kredieten. Ze kunnen een prima alternatief gaan vormen voor ontwikkelingshulp (ze vallen in mijn visie dus niet onder het kopje ontwikkelingshulp). Door leningen aan kleine ondernemingen te verschaffen kun je een concreet bijdrage leveren, zodat ze naar verloop van tijd op eigen benen kunnen staan. Met alle positieve gevolgen van dien, meer werkgelegenheid, een vast inkomen et cetera. Dit kan allemaal worden afgedwongen en nader geregeld worden in de vorm van voorwaarden (afbetalingstermijnen, onderpanden etc.). Echter, in de wereld van de huidige micro-kredieten moeten ook bergen worden verzet. Zo zouden er structureel meer mannen een lening moeten krijgen. De meeste huidige leningen worden verstrekt aan vrouwen. Vrouwen worden namelijk geacht beter risico’s in te kunnen schatten en op tijd hun leningen af te betalen. Hier kan voorlichting een belangrijke rol spelen. Via onderwijsprogramma’s die door ngo’s (staan dichterbij de mensen dan overheden) zijn opgericht, kan men de komende generatie beter met geld leren omgaan. Dit kan ook een structureel antwoord zijn op corruptie. Ten derde is een grote rol weg gelegd voor de burgers in de ontwikkelde (met in verhouding meer welvaart en welzijn) samenlevingen. Ze zouden in plaats van passief vrijwilligerswerk, dat nu collectief plaats vinden in de vorm van automatische incasso’s, zich actiever moeten opstellen. Wederom is hier een rol weg gelegd voor onderwijs. Enerzijds kan zo bij de huidige generatie en de toekomstige generaties in de ontwikkelingslanden een collectief bewustzijn worden gecreëerd (het creëren van een ondernemingsklimaat, leren om gaan met geld en een goede wetgeving/handhaving opstellen etc.). Anderzijds kan een verlengde bewustzijn, bij de generaties in de ontwikkelde landen, hier op aansluiten (te denken valt nu al aan de verplichte maatschappelijke stages voor scholieren). In het verloop van de tijd zullen beiden instaat zijn elkaar aan te vullen en te verbeteren. Alleen zo kan men in de toekomst nog compromissen sluiten met een groot maatschappelijk draagvlak. Dit alles kan tot effectieve oplossingen leiden voor de grensoverschrijdende problemen (ik noem ze liever uitdagingen) waar we allemaal door worden geraakt (immigratie, broeikaseffect, internationale misdaad etc.).

Kortom, handen uit de mouwen! Er moeten muren worden afgebroken en een sterk fundament worden gebouwd om dit alles te kunnen realiseren. Laat we hopen dat de huidige WTO-top (voor China zal dit tevens de komende olympische spelen kunnen zijn) een begin gaat vormen voor dit alles. En wat betreft de eerder genoemde contradictie in dit stuk? Die zal als sneeuw voor de zon verdwijnen, daar ben ik van overtuigd.

Geplaatst in M.B. Oosterdijk | Getagged: , | 3 Commentaar »

Het loyale kind

Geplaatst door H.R. van Zuilen op 18 mei, 2008

De religieuze zenuwen werden de laatste tijd danig op de proef gesteld. Genoeg in ieder geval voor minister Hirsch Ballin om een uitgelekte poging te ondernemen het verbod op godslastering uit te breiden.  Waarom zijn het toch voortdurend deze mensen, die naar eigen zeggen de waarheid in boekformaat op de deurmat hebben gekregen, die naar de wetgever grijpen zodra de retorische aanval wordt geopend? Die reflex is veelzeggend afwezig bij ongelovigen. Stelt u zich voor: een microbioloog die door en door gekwetst een evolutieontkenner beschuldigt van haatspraak.
 
Het verbod op godslastering lijkt misschien een gewone poging beledigende uitspraken over een dierbaar idee te verbieden, maar het zit een stuk dieper. Want wat voor God verdedigen deze mensen? In het oude testament is Hij een haatdragende, eerzuchtige en extreem gewelddadige narcist. Het nieuwe testament gaat nog een stapje verder: de moordpartijen worden afgelast en vervangen door intimidatie en de ultieme chantage. Doe wat God zegt, of bereid je voor op een eeuwigheid in de hel. Wat is de reactie van de gelovige? God bedoelt het goed. Dat zegt Hij, en wij nemen Zijn woord ervoor. Dat Hij gewoon een alomtegenwoordige sadist is komt niet bij ze op.
 
Deze verziekte relatie zal hulpverleners bekend voorkomen: God is de mishandelende vader, en de gelovigen zijn de kinderen. Hoe veel psychisch misbruik en geweld Hij ook over zijn kinderen uitstort, ze zullen Hem niet afvallen. De loyaliteit van een kind aan zijn ouders gaat heel ver: het doet pijn om je vader te zien als de tiran die hij is. De neiging godslastering te verbieden, of in het geval van het CDA en de CU verboden te houden, is maar al te menselijk. Het goede nieuws is dat – met therapie – de meeste kinderen uiteindelijk over hun loyaliteit heen komen. Maar tot die tijd is het zaak te voorkomen dat zij de rest van ons dwingen de vader met de losse handjes te respecteren.

Geplaatst in H.R. van Zuilen | Getagged: , , | Reageer »

Mediamonopolies

Geplaatst door H.R. van Zuilen op 13 mei, 2008

Afgelopen maand werd Silvio Berlusconi, na twee jaar in de oppositie, herkozen tot minister-president van Italië. Dat de Romeinse showman weer vier jaar op het hoogste podium mocht staan zou je verbazen als je zijn cv hebt gezien. Van 2001 tot 2006 had hij als minister-president vooral voor zichzelf geregeerd, met wetgeving om zijn eigen fraude uit het verleden te decriminaliseren en zijn commerciële belangen te beschermen. Van serieuze hervormingen om Italië’s wegglijdende economie te helpen, of de maffia terug te dringen was geen sprake. Waarom is Berlusconi dan weer terug?

 

Voor het antwoord hoeven we niet verder te kijken dan Berlusconi’s media-imperium. De familie van Berlusconi beheerst bijna alle private televisie. Met Berlusconi als staatshoofd – en dus baas van de publieke omroepen – beheerst hij zo’n 90% van de televisie. Als je nu hoopt dat hij er niets mee doet zit je er naast. Zowel de private als publieke media werden tijdens zijn ambtsperiode onder druk gezet om kritische programma’s te weren. Dat de Italianen zich gedesillusioneerd van zijn opvolger Prodi afwendden is geen wonder als je bedenkt dat ze hem beoordelen op een wereldbeeld gefabriceerd door zijn  tegenstander.

 

“Eerlijke” misleiding

 

In een goed functionerende liberale democratie is het private mediamonopolie, dat Berlusconi aan de macht hielp, de grootste bedreiging voor de pluraliteit van media, en verreweg het moeilijkst te reguleren. De vrije markt houdt het in ieder geval niet tegen.

 

Dankzij de persvrijheid mag iedereen een televisiezender oprichten die zijn politieke, of ideologische visie de hele dag over de ether spuwt. Dankzij de liberalisering van de media zullen die zenders overleven die mensen willen bekijken. Dat dit niet perse die zenders zullen zijn die er een onkreukbare journalistieke moraal op nahouden bewijst alweer onze vriend Silvio, die een miljardenrijk heeft opgebouwd op basis van de showgirls die in zijn programma’s in veel te kleine bikini’s rondhupsen. In combinatie met hoge vaste lasten en de schaalvoordelen van mediaconsolidatie – bijvoorbeeld het delen van apparatuur, studio’s, kennis, sterren – kan het dus gebeuren dat één, of een paar magnaten, die het niet al te nauw nemen met de onpartijdigheid van de media, de particuliere televisie in handen krijgen. Naast Italië zien we dit soort “eerlijk” verkregen mediamonopolies in bijvoorbeeld Polen en sinds kort Zuid-Afrika.  Als deze mensen voldoende marktaandeel veroveren is controle door de nieuwsconsument van hun versie van de werkelijkheid  minder makkelijk. Daarom is één, of een paar partijdige zenders geen probleem – denk aan FoxNews – maar is een monopolie wel vervelend.

 

Hebben we nou vastgesteld dat het mediamonopolie ongewenst is, dan komen we bij de vraag hoe we het moeten voorkomen. En dat is het vervelende van dit probleem: als wetgever valt er nauwelijks iets aan te doen. Een economisch monopolie valt prima aan te pakken, maar een ideologisch monopolie niet. Zelfs al zou je een wet instellen die bedrijven beperkt tot 40% marktaandeel, het is praktisch onmogelijk te voorkomen dat alle media in handen van gelijkdenkende zakenlui valt. Dat kan familie zijn, zoals de broer van de huidige president van Zuid-Afrika en eigenaar van de grootste omroep van het land. Maar het kunnen ook bevriende, of sympathiserende zakenlui zijn, zoals degenen die in datzelfde land onlangs de meest kritische kranten hebben opgekocht. Een wet die iets dergelijks moet voorkomen, zou dus zakelijke handelingen moeten verbieden op grond van iemands ideologie. Dat gaat regelrecht in tegen de vrijheid van meningsuiting.

 

De markt heeft dus gefaald, en we hebben een uniform blok media die partijdig nieuws uitzenden. Wat doen we eraan?

 

Glas breken in geval van mediamonopolie

 

Er zijn drie oplossingen: wederhoor-wetten, de nieuwe media, en de publieke omroep. Alledrie hebben ze hun voors en tegens.

 

Eerst de wederhoor-wetten. De kern van een dergelijke regeling is dat een politicus die door een medium wordt aangevallen recht heeft op wederhoor. Dit is een journalistiek principe dat een goede redactie zal nastreven. Het verplicht stellen zou een monopolist dwingen beide kanten van het verhaal te laten horen. Helaas zitten aan zo’n wet flinke haken en ogen. Niet de minste ervan is dat je in feite het medium dwingt een bericht te brengen, ook al heeft het niets verkeerd gedaan. Dat kan eigenlijk niet binnen het domein van vrije meningsuiting vallen. Maar ook los van de theorie zitten er enorme praktische bezwaren aan, immers: om partijdig te zijn hoeven media niet in de aanval te gaan. Een kandidaat, of een onderwerp kan ook dood worden gezwegen. Bovendien kan een wederhoor-wet net zo goed een middel worden om onwelgevallige media  lastig te vallen. Stel je voor dat ieder negatief bericht over Balkenende gevolgd zou worden door een eis zijn kant van het verhaal af te drukken. Zo’n wet haalt de lat zowel filosofisch als praktisch niet.

 

Dan de nieuwe media. Op de korte termijn is het een slechte oplossing, op de lange termijn een goede, en op de zeer lange termijn kan het weer een slechte worden. Op de korte termijn zijn er blogs, nieuwssites, nieuwsbrieven, forums, en weet ik wat meer, die verschillende invalshoeken kunnen, en ook laten zien. Het probleem is niet het aanbod, maar de vraag. In de Verenigde Staten bekeek bij een studie van het Pew instituut, een onderzoekscentrum, 24% van de ondervraagden op een willekeurige dag nieuws op het internet, tegenover 57, 40, en 36% voor televisie, kranten en radio respectievelijk. Een flink deel van die internetgangers bovendien te kiezen voor  grote internetkranten – die grotendeels niet geïsoleerd zijn voor mediamonopolies – en  de sites van traditionele media, met minimale percentages voor de nieuwsblogs, de minst monopolievatbare vorm. Verder is het zo dat die groep die het minst handig is met het internet, de ouderen, het meeste nieuws volgt, en de hoogste opkomst bij de stembus heeft. Vertrouwen op internet op de korte termijn is dus niet praktisch. Op de lange termijn, als de digibeten zijn uitgestorven, zou het internet wel een goede controle voor traditionele media kunnen vormen. Op de zeer lange termijn wordt het een vraag naar hoe het internet gaat eindigen. Naarmate nieuwssites professioneler worden, en internetnieuws consumptie geconcentreerder zou het kunnen dat ook die sites vatbaar worden voor monopolies. De schaalvoordelen van een nieuwssite zijn wel een stuk kleiner dan traditionele media, en samen met de lage vaste kosten is een monopolie volgens mij ook op de zeer lange termijn niet waarschijnlijk.

 

Een vogel.. een vliegtuig.. de staat?

 

Maar dan zitten we toch nog met een probleem. Op de korte termijn is internet niet de oplossing, en ook op de langere termijn blijft er een grote groep die alleen traditionele media voor nieuws gebruikt. Ook onder jonge mensen halen veel meer mensen het nieuws van tv dan van het internet. 

 

Als laatste strohalm dan de publieke omroep. Zou de overheid in staat zijn dit sluipende marktfalen op te lossen? Volgens mij wel, en hier is hoe. Leg op een moeilijk te veranderen plek, het liefst in een grondwet-met-voorrang, vast dat de publieke omroepen onafhankelijk zijn van de regering. Laat alleen het totale budget in overheidshanden, en laat de rest aan de publieke omroep zelf over. Bestem een stuk of drie zenders voor deze omroepen, en leg ze een minimumpercentage zendtijd op voor nieuws en achtergronden. De resulterende organisatie zal moeilijk te beïnvloeden zijn kritische programmering te verwijderen, behalve met de botte bijl van het totale budget, die wel eens tegenproductief zou kunnen werken. Het zou kunnen dat zo’n organisatie inefficiënt werkt, en niet voldoende let op de kijkcijfers. Maar als het  gebrek aan showgirls in te kleine bikini’s de prijs is die we moeten betalen voor een werkelijk onpartijdige nieuwszender, dan zeg ik met pijn in mijn hart: het zij zo.

Geplaatst in H.R. van Zuilen | Getagged: , , , , , , | Reageer »

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.